Charles Krienen

Regelmatig wordt in deze rubriek geciteerd uit boeken van de op 30 november 1873 te Laag-Keppel geboren schrijver Charles Krienen. In dat dorp was zijn vader de plaatselijke smid. Het boek met de titel ‘De zoon van de dorpssmid’ (1900) heeft daar dus zeker alles mee te maken. Krienen volgde een opleiding tot onderwijzer en verliet de Achterhoek en werkte daarna op scholen in Bussum en Den Haag. Hij trouwde twee keer; uit beide huwelijken kwamen in totaal acht kinderen voort. Twee ervan stierven op jonge leeftijd. Rond 1925 kreeg Krienen een alcoholprobleem. Dit was voor zijn tweede vrouw aanleiding hem te verlaten. Waarschijnlijk is zijn alcoholverslaving ook de oorzaak van zijn vervroegd vertrek uit het onderwijs geweest. Naast dit probleem waren er geldzorgen. Voortdurend zat Krienen in geldnood. Hij klopte dan ook regelmatig bij zijn uitgevers aan om een voorschot te verkrijgen op zijn honorarium. Als kinderboekenschrijver werd hij rond 1900 actief. Behalve onder zijn eigen naam publiceerde hij onder de pseudoniemen P. Koekoek en Suze Brinkgreve. Die laatste auteursnaam gebruikte hij voor een aantal meisjesboeken. In totaal verschenen meer dan zestig jeugdboeken van zijn hand. Belangrijke gebeurtenissen in deze streek zijn herkenbaar beschreven, zoals de komst van de tram, de invloed van de 1e wereldoorlog, oude gebruiken en de invloed van de baron van kasteel Keppel op de dorpsgemeenschap. Zijn latere werk is gesitueerd in Den Haag en omgeving. Zijn opvattingen over de eisen die aan een kinderboek gesteld moeten worden, formuleerde hij in het tijdschrift ‘School en Leven’ (1902/1903): “Wat een kind doet grijpen naar een boek, dat doet de innigheid, waarmee het is geschreven, dat doet de liefde, die spreekt uit iedere regel, die recht gekomen is uit de fijnvoelende ziel van de schrijver, die al die personen in zijn boek heeft neergeschreven, als echte menschen van vlees en bloed”. Bij het lezen van zijn boeken wordt men inderdaad meegesleept in de gevoelens en invoelend vermogen van de schrijver. De boeken van Krienen zijn niet alleen boeiend voor kinderen, ook volwassenen worden bij het lezen geconfronteerd met een diep gevoel van eerlijkheid, rechtvaardigheid en vriendschap. Begrijpelijk dat de schrijver, in zijn beleving van de wereld, tegenslagen en teleurstellingen ondervond. De realiteit van het ‘harde’ leven aan het begin van de vorige eeuw was blijkbaar zo in tegenstelling met zijn visie daarop, dat hij een uitweg zocht via de fles. Hij wist daar niet op een verstandige manier mee om te gaan. Charles Krienen overleed in 1945 in Amsterdam aan hongeroedeem, dat is een ziekte veroorzaakt door ernstige ondervoeding. De eerste boeken van zijn hand spelen in de Achterhoek. Meestal zijn het avontuurlijke jongensverhalen zoals ‘De zoon van den dorpssmid’ (1900), ‘Uit de jeugd van een Gelderschen jongen’ (1904) en ‘Twee echte jongens’ (1905). Het hieronder weergegeven fragment uit ‘De avonturen van vier pretmakers‘ (1906) speelt in Hummelo en Keppel. Vier jongens uit Laag-Keppel lopen, al pratende, op een weggetje naar de Galgenberg en de Zwartekolk bij Hummelo.

Bijna aan het eind staat een steenen paal. “Daar staat hij”, zei Kees, “de overwinningspaal van de onzen”. “En die van Hummelo zeggen, dat zij den paal daar neerzetten”. “Bluf”, zei Nico, “hij staat op Keppelschen grond”. De paal, waarover de jongens spraken, wordt genoemd in de taal dier streek de ‘gijzelpaal’. Hij werd daar geplaatst na een bloedigen slag, geleverd tusschen de bewoners der beide dorpen Hummelo en Laag-Keppel. In dien slag bleven, zeggen de Keppelsche dorpers, zij overwinnaars. Gegeeseld hadden zij hun vijanden en ter gedachtenis aan hun heerlijke triomf, plaatsten zij de gijzelpaal. “Zou die daar al lang staan?” vroeg Jaap. “Al eeuwen”, antwoordde Kees heel wijs. “Ze zeggen het ten minste”, vulde Nico aan. “Toch echt, dat de Keppelschen zich zoo hebben geweerd”, meende Frans. “Eigenlijk is dat vechten toch onzin”, zei Kees. “De oude Bitters vertelde laatst, dat ze elkaar met messen en hooivorken te lijf gingen, en zonder reden. Ze vochten alleen, omdat ze niet woonden in ’t zelfde dorp”. “’t Is waar”, zei Frans, “toch mag ik die Hummeloschen ook niet lijden; ’t is raar volk”. “De Hummelosche jongens van ijzer en staal - Die moeten voor de gijzelpaal - De Keppelsche jongens van koper en tin - Daar zit zoo veel courage in”. “Een raar versje toch eigenlijk”, zei Jaap, die natuurlijk dit lied ook kende, “de Hummeloschen zijn van ijzer en staal, en wij van koper en tin. IJzer en staal is vrij wat harder en sterker”.

Bron o.a.: ‘Eén grote vreugderit’ (Op reis door Achterhoek en Liemers met jeugdboeken uit de collecties van Stichting Staring Instituut en Stichting ’t Oude Kinderboek) dat te koop is bij het Staring Instituut te Doetinchem.

Door Fred Wolsink. Gepubliceerd in Weekblad Contact (7 oktober 2008).