kiepenkerl: een historische wandelende handelaar

Een ‘kiepenkerl’ is een historische wandelende handelaar. Tot aan het begin van de twintigste eeuw waren er nauwelijks winkels in de kleine landelijke dorpen. Maar de ‘kiepenkerl’ ging van huis tot huis en verkocht waren uit zijn ‘kiep’.
Hij is vooral in het ‘Münsterland’ bekend, maar hij trok ook over de grens naar Nederland en kwam ook in hier via de Hessenwegen.

De plaats Münster heeft de ‘kiepenkerl’ tot haar handelsmerk gemaakt en er staat in het centrum van de stad een heus standbeeld van deze koopman. De gemeente Bronckhorst heeft wel iets met Münster. De eerste bisschop van Münster was dezelfde Liudger, die we kennen in Wichmond, Vierakker, Hengelo en Zelhem. En wij vielen jarenlang onder het Bisdom Munster. Aan de andere kant van de IJssel begon pas het Bisdom Utrecht. Een ‘kiepenkerl` had naast handelaar ook een functie als bemiddelaar van taal, geschiedenis en gebeurtenissen. In Nederlandse termen zou zo iemand een marskramer heten. Een marskramer was een huis-aan-huis verkoper van kleine artikelen in de tijd dat veel verkopers zich geen vervoer konden permitteren en winkels relatief dun gezaaid waren. De marskramer droeg zijn handelswaar doorgaans in een mand (de mars) op zijn rug. Een gezegde waarin de marskramer voorkomt is ‘iets in zijn mars’ hebben. ‘Marskramer’ is ook de naam van een warenhuis in huishoud- en speelgoedartikelen, die in de jaren veertig in Rotterdam Kralingen haar eerste vestiging opende. Een deel van deze handelaars zijn voorgoed in Nederland gebleven, zoals de broers Clemens en August Brenninkmeijer die de confectieketen C&A oprichtten, en de familie Sinkel die de Winkel van Sinkel, het eerste warenhuis, oprichtte. Behalve ‘kiepenkerls’ waren er ook andere Hollandgangers. Zo waren de hannekemaaiers seizoenarbeiders uit Duitsland (voornamelijk uit Westfalen en het Graafschap Lingen in de zeventiende tot en met de negentiende eeuw) die in de zomer te voet naar Nederland kwamen om op het te land werken. De familienaam Hanemaaijer is hiervan afkomstig. En zo kwamen ook allerhande straatmuzikanten (Duitse blaaspoepen) hier naar toe.

In zijn boekje ‘Op en rond een Hessenweg in de Achterhoek’ beschrijft Harrie Somsen handelaren en seizoenarbeiders die via de Hessenwegen in onze regio kwamen.
“Het wegennet in de Achterhoek bestond vroeger vaak niet meer uit veel meer dan een verzameling, vaak modderige, karresporen. De wegen waren stoffig in de zomer en in herfst en winter een grote modderpoel. Tot 1700 waren er alleen maar zandwegen in Nederland. Zandwegen waren veelal hoger gelegen paden. Ze liepen door het voornamelijk uit veen, stuifzand en moeras bestaande gebied dat de Achterhoek destijds was. De paden waren redelijk begaanbaar en zouden later de handelsroutes gaan vormen waarlangs kooplieden en handelaren hun waren vervoerden en verkochten. Er wordt melding gemaakt dat al in het jaar 1050 de belastinginners van de abdijen te Werden en Munster via deze wegen hun gelden en goederen kwamen innen. In de tijd van de Marken lag op de Markegenoten de verplichting dat zij zelf de weg, de bermen en de waterlopen bij moesten houden, op straffe van boetes die men moest betalen aan het Markegericht. Dat men vroeger niet erg mobiel was moge duidelijk zijn. Het grootste gedeelte van de bevolking kwam zelden of nooit buiten zijn eigen woonplaats. En als men al een reis ondernam dan was dat meestal naar één van de markten in Zutphen, Doetinchem of Doesburg.
Dit gebeurde over het algemeen te voet, geld voor andere vervoermiddelen was er domweg niet. Voorop gesteld dat die andere mogelijkheden er überhaupt al waren. Een wandeling van enige uren was in die tijd zeker geen uitzondering. Wegen waren toen nog niet op elkaar afgestemd en vaak bestonden ze uit afzonderlijke trajecten.
In de Bataafse-Franse tijd (1795-1813) werd een begin gemaakt met de verbetering van het wegennet in Nederland en de aansluitingen op de Duitse wegen die voor het overgrote deel nog bestonden uit de oude handelswegen. Op deze wegen, die dus Hessenwegen werden genoemd, bewoog het verkeer zich in die dagen. Ze waren het domein van allerhande volk; soldatenvolk, marskramers, Duitse blaaspoepen (straatmuzikanten) en alles wat maar onderweg was.
Van uit de Duitse deelstaat Hessen kwamen de Hessenkeerls. Vaak waren dat markante gasten die gekleed gingen in blauwe kielen met zware stevels (laarzen) aan de voeten. Ze liepen naast hun huifkarren die waren volgeladen met ijzerwerk uit Solingen en potten en pannen uit Siegburg en Keulen. Ze hebben wel indruk gemaakt op de bevolking, want tot op de dag van vandaag zegt men van jonge biggen die flink veel en vaak drinken: Zee zoept as een Hessen. Deze uitspraak kan echter ook slaan op de Hessische hulptroepen, die zich in de winter van 1794/1795 uit ons land terugtrokken. Zij gaven deze winter de naam Hessenwinter.
Uit het hoger gelegen Munsterland kwamen de kiepenkeerls of inlandsch kramer, een naam die nu niet meer gebruikt wordt. Van oudsher is het een rondtrekkende koopman die met een pak of een kast (kist) zijn zogenaamde ‘mars’ langs de boerderijen liep om linnen, garen, snuisterijen en huishoudelijke artikelen te verkopen. Ook kocht hij bij de boeren kippen of konijnen die hij elders weer verkocht. Alles werd op de rug gedragen. Met hun korte blauwe kiel, rode halsdoek, pet, knapzak en pijp zorgden deze meestal vriendelijke mannen naast hun warenhandel tevens voor de uitwisseling van nieuws op het platteland. Hun dialect van plat Duits vermengd met woorden uit het Achterhoeks dialect was goed te volgen.
Via Winterswijk trokken zij de Achterhoek in, vaak alleen met hun grote wilgentenen mand vol handel op de rug gebonden.

Seizoenarbeiders
In de 17e en 18e eeuw werden deze wegen ook veel gebruikt door de trekarbeiders die vanuit het arme Nederlandse en Duitse grensgebied seizoens arbeid wilden leveren bij de boeren in de kuststreken van Nederland.
Deze losse arbeiders trokken in groepen over de Hessenwegen en andere oude trek- en handelsroutes. Als groep werd er dan een wagen gehuurd voor het vervoer van hun mondvoorraad en de rollen linnen, Keulsepotten, Hessenkielen enz. die ze onderweg probeerden te verkopen. De Hessenkielen werden eeuwenlang gebruikt in de Graafschap als overjas, stofjas, regenjas, enz als de boeren naar de markt gingen of als bescherming van hun kleding tegen de vele ongerechtigheid van de koeienlichamen. De Hessenkielen waren van fijn linnen gemaakt en Nassaublauw geverfd.
Geld om te overnachten had men niet, zodat er vaak onderweg op vaste plekken werd geslapen die niets kosten. Bij droog weer onder bomen of, bij nat weer in het hooi bij de boeren. De bedoeling was om zo veel mogelijk geld uit te sparen en de verdiensten mee naar huis te nemen.
De mondvoorraad van deze trekarbeiders bestond uit een paar stukken spek en roggebrood dat voldoende moest zijn voor de hele reis. Lopend naast de brede karren die over de stoffige zandwegen trokken, probeerden zij zo snel mogelijk bij een stad te komen die bij het water lag, b.v. Doesburg, waar ze met het beurtschip verder stroomafwaarts kwamen. De beurtschepen verzorgden in de Nederlandse binnenvaart, volgens een vaste dienstregeling, het snellere vervoer over water.
Zo kwamen de seizoensarbeiders, maaiers en ook wel jonge vrouwen, die zich als dienstmeisje verhuurden, in de rijke Hollandse steden. De uitgestrekte graslanden van Groningen, Friesland en de polders van West Friesland en Zeeland boden de maaiers voor vele maanden voldoende werk. De maaiers, in het Duits Hannekemaaiers, hadden vaak vaste werkadressen, die door bemiddeling van een voorman vanuit de streek van herkomst per brief reeds aangekondigd was, zodat de boer wist op hoeveel mensen hij kon rekenen. Vaak kwamen ze jaren achtereen bij dezelfde boer en tegen een vooraf bedongen loon.
De losse arbeiders die nog geen werk geregeld hadden en op de bonnefooi meetrokken, verzamelden zich op het marktplein waar de plaatselijke boeren deze maaiers ronselden voor werk, maar tegen een lager loon.
Afhankelijk van het seizoen werd er eerst gras en later in het seizoen koren gemaaid. Met hun verdiensten, vaak in Duits geld betaald, en de gekochte handel, zoals Delfblauw en zout, trokken ze tegen de winter weer volgens dezelfde route huiswaarts.
Na de landbouwmechanisatie (±1870) werden de maaiers overbodig en trokken de arbeiders naar de opkomende Twentse- en Achterhoekse textielfabrieken waar de verdiensten beter waren. De uitbetaling was ook hier wel in Duitse munt die in winkels, door de textielbaronnen opgezet, kon worden uitgegeven (gedwongen winkelnering)”.

Door Fred Wolsink. Gepubliceerd in Weekblad Contact (7 augustus 2007).