Ellie en Harry Somsen hebben enige tijd geleden een boekje geschreven voor de Oudheidkundige vereniging “Salehem” met veel wetenswaardigheden over de Hessenweg van Aalten naar Doesburg en over de pleisterplaatsen aan deze historische weg. O.a. over ‘Het Wapen van Heeckeren’. De foto van ‘Het Wapen’ is gemaakt door Hans van Kampen, die tal van mooie plekje in de gemeente Bronckhorst heeft vastgelegd. Ook de popgroep ‘Normaal’ gebruikte ‘het Wapen’ voor één van hun LP’s en noemde deze ‘Noar’t café’. Misschien dachten ze wel aan de tijd hier doorgebracht toen ze schreven:

Toen ik nog een jonge was, wonen ik op een boer
hele dagen hard pezen, i-j stonken noar pestvoer
en as i-j moeder om centen vroeg dan zei ze altied nee
moar of i-j centen had of niet, i-j gingen noar 't café

hee hee hee, noar 't café
hee hee hee, noar 't café

iederen zondagmorgen mos ik noar de kark
ik zag dat nooit zo zitten dus zocht ik ander wark
ik reed met mienen Sparta wel 6 keer deur 'n allee
ik kon joa niks bedenken moar inens kre'k een goed idee

hee hee hee, noar 't café
hee hee hee, noar 't café

hee hee hee, noar 't café
hee hee hee, noar 't café

moar of i-j nou in 't café zit dat help ow gin enen moer
't is joa weinig better dan pezen bi-j 'n boer

Hieronder volgt een citaat uit het boekje van het echtpaar Somsen, dat o.a. te koop is in het erfgoedmuseum Smedekinck gelegen aan de westelijke Hessenweg (Pluimersdijk) bij het dorp Zelhem.

“Richting Hummelo komen we langs een herberg, met haar authentieke gelagkamer. Het is de moeite waard deze te bezichtigen en een drankje te gebruiken. De oude herberg heeft een doorrijdschuur met een hoge voor- en achterdeur die gebruikt werd voor koetsen en andere hogere karren. Men reed er aan de voorkant in en de volgende dag werd de route vervolgd via de achterdeur. Het was dan ook een pleisterplaats van de Hessen. De Hessenweg loopt voor deze herberg langs de Kruisbergse bossen in. Via Laag Keppel, Hoog Keppel en Voor Drempt gaat het over de N317 naar Doesburg aan de IJssel. Doesburg was vroeger een van de Hanzesteden en had een handelsroute die vanaf het Duitse Munster vanaf het jaar 1358 een verbinding vormde met alle Hanzesteden langs de IJssel In 1993 vierde de stad Munster het 625-jarig bestaan als Hanzestad. Deze Hessenweg eindigt tenslotte in Dieren.
Deze wegen werden in de 17e en 18e eeuw ook veelvuldig gebruikt door trekarbeiders op zoek naar enige inkomsten, die vanuit het arme Nederlandse en Duitse grensgebied seizoen arbeid wilden leveren bij de boeren in de kuststreken van Nederland.
Deze losse arbeiders trokken in groepen over de Hessenwegen en andere oude trek- en handelsroutes. Als groep werd er dan een wagen gehuurd voor het vervoer van hun mondvoorraad en de rollen linnen, Keulsepotten, Hessenkielen enz. die ze onderweg probeerden te verkopen. De Hessenkielen werden eeuwenlang gebruikt in de Graafschap als overjas, stofjas, regenjas, enz als de boeren naar de markt gingen of als bescherming van hun kleding tegen de vele ongerechtigheid van de koeienlichamen. De Hessenkielen waren van fijn linnen gemaakt en Nassaublauw geverfd.
Geld om te overnachten had men niet, zodat er vaak onderweg op vaste plekken werd geslapen die niets kosten. Bij droog weer onder bomen of, bij nat weer in het hooi bij de boeren. De bedoeling was om zo veel mogelijk geld uit te sparen en de verdiensten mee naar huis te nemen. De mondvoorraad van deze trekarbeiders bestond uit een paar stukken spek en roggebrood dat voldoende moest zijn voor de hele reis. Lopend naast de brede karren die over de stoffige zandwegen trokken, probeerden zij zo snel mogelijk bij een stad te komen die bij het water lag, b.v. Doesburg, waar ze met het beurtschip verder stroomafwaarts kwamen. De beurtschepen verzorgden in de Nederlandse binnenvaart, volgens een vaste dienstregeling, het snellere vervoer over water. Zo kwamen de seizoensarbeiders, maaiers en ook wel jonge vrouwen, die zich als dienstmeisje verhuurden, in de rijke Hollandse steden. De uitgestrekte graslanden van Groningen, Friesland en de polders van West Friesland en Zeeland boden de maaiers voor vele maanden voldoende werk. De maaiers, in het Duits Hannekemaaiers, hadden vaak vaste werkadressen, die door bemiddeling van een voorman vanuit de streek van herkomst per brief reeds aangekondigd was, zodat de boer wist op hoeveel mensen hij kon rekenen. Vaak kwamen ze jaren achtereen bij dezelfde boer en tegen een vooraf bedongen loon.
De losse arbeiders die nog geen werk geregeld hadden en op de bonnefooi meetrokken, verzamelden zich op het marktplein waar de plaatselijke boeren deze maaiers ronselden voor werk, maar tegen een lager loon.
Afhankelijk van het seizoen werd er eerst gras en later in het seizoen koren gemaaid. Met hun verdiensten, vaak in Duits geld betaald, en de gekochte handel, zoals Delfblauw en zout, trokken ze tegen de winter weer volgens dezelfde route huiswaarts. Na de landbouwmechanisatie (±1870) werden de maaiers overbodig en trokken de arbeiders naar de opkomende Twentse- en Achterhoekse textielfabrieken waar de verdiensten beter waren. De uitbetaling was ook hier wel in Duitse munt die in winkels, door de textielbaronnen opgezet, kon worden uitgegeven (gedwongen winkelnering).”

Door Fred Wolsink. Gepubliceerd in Weekblad Contact (19 juni 2007).