Herinneringen van een schoolmeester (1950-1952)
- Henk Krosenbrink, 16 februari 2010 -

In mijn militaire diensttijd, die ik in Nederland, in Neerijnen, heb vervuld, was ik al een beetje begonnen. Eerst wat op eigen houtje, maar wonder boven wonder kreeg ik verlof om vrijdagsmiddags al bijtijds naar huis te gaan om in Doetinchem, op de Rijkskweekschool, de cursus voor hoofdakte te volgen. De hoofdakte bestond uit vijf vakken nl. pedagogiek, Nederlands, geschiedenis, aardrijkskunde en physica. De eerste drie vakken vormden een cluster en de laatste twee. Er werd aangeraden niet alle vijf vakken tegelijk te doen. De examens waren verdeeld in twee gedeelten en bij slagen voor één deel bleef het geslaagd zijn geldig voor enkele jaren. Twee jaar, meen ik. Daarna moest je opnieuw beginnen, als het tweede deel nog niet gehaald was.
Optimistisch schreef ik in voor beide gedeelten. September 1949. Ik dacht in militaire dienst genoeg tijd te hebben - in een afgelegen onderdeel - om beide delen tegelijk te doen. Dat viel tegen. In juli 1950 - ik was pas in Hummelo - zakte ik voor beide gedeelten. Enfin, ik had wat examenervaring opgedaan.
In september 1950 ging ik weer naar de hoofdakte. Niet wijzer geworden, deed ik beide delen weer tegelijk. Met als resultaat, dat ik in juli 1951 in Utrecht slaagde voor de eerste drie vakken. Voor aardrijkskunde en physica haalde ik onvoldoende. Ik had in elk geval een deel ervan.
D. Hiddink, toen leraar pedagogiek en ook geschiedenis aan de Kweekschool in Doetinchem had me aangeraden voor geschiedenis een moeilijk onderdeel als speciaalstudie te nemen. Het examen voor geschiedenis bestond uit een algemeen gedeelte - Nederlandse en Algemene geschiedenis - en een speciaal onderwerp. Dat was voor het boek van Fruin: ‘De eerste tien jaren van de 80-jarige oorlog’. Zo luidde die titel meen ik. Een dikke pil. Hiddink vond, dat ik als liefhebber van geschiedenis, daarmee hoge ogen zou gooien. Ik deed 's morgens examen voor de eerste drie vakken. Het ging helemaal niet zo best, vond ik. Bij geschiedenis werd door de examinator, Schaap uit Arnhem - zelf opleider van hoofdaktestudenten - weinig gevraagd over het speciale gedeelte. Zo weinig zelfs, dat de mede-examinator hem daar achter de hand fluisterend op attent maakte. Toen begon hij over de jaren net voordat de oorlog begon en zaagde me door over Willem van Oranje. Bij het algemene gedeelte vroeg hij naar anekdotes, die hij zelf altijd vertelde, hoorde ik later. Enfin, ik dacht, dat het helemaal mis was.
In de middagpauze ging ik in de buurt van het examenlokaal - Tivoli in Utrecht - ergens een kopje koffie drinken. Hiddink kwam daar voorbij, zag me zitten en schikte bij. Hij zag aan mijn gezicht, dat ik niet optimistisch gestemd was. En ‘s middags moest ik weer voor de bijl. Voor twee vakken, die me niet zo lagen. Vooral physica niet. Aardrijkskunde was nog een kwestie van stampen. Hiddink keek me aan en zei: ‘Ik mag het natuurlijk niet zeggen. Maar voor de vakken van vanmorgen ben je geslaagd. Wel met de hakken over de sloot, maar het eerste deel heb je binnen. Nu vanmiddag nog.'
De lucht klaarde aardig op, maar desalniettemin zakte ik voor het tweede deel. Het eerste deel was inderdaad krap aan. Een zes voor Nederlands en voor pedagogiek en een vijf voor geschiedenis. Het jaar tevoren had ik voor geschiedenis een vier gehaald. De zin om leraar geschiedenis te worden was voorbij. Ik had geen sjoege van geschiedenis.
Omdat ik één deel had gehaald, ging ik toch nog redelijk tevreden naar huis. Degenen, die alles tegelijk haalden, waren witte raven. Ik dus niet. Het jaar daarop, in juli 1952, haalde ik het tweede gedeelte, Weer met de hakken over de sloot. Maar ik was er af en we konden gaan trouwen. Die plannen hadden we trouwens al, maar daarover later.
Ik was in elk geval verlost van die taaie cursus. Na schooltijd op vrijdagmiddag ging ik daar naar toe. Ik kreeg van tante Aaltje een goed pakket brood mee en ging na de cursus naar Winterswijk, naar Miste, waar ik het weekend doorbracht.
Achteraf bekeken, was het ook een wonder geweest, wanneer ik meteen gladweg geslaagd zou zijn. De hoofdakte was veel stampwerk, het leren van feiten en ik had nog heel andere dingen aan mijn hoofd. Wel ging ik trouw elke avond aan de keukentafel zitten bij Herberts, deed wat ik doen moest, maar had heel andere 'flusen' (gedachten), in mijn hoofd. In Hummelo ben ik serieus begonnen met schrijven. Dat was allang een wens van mij geweest. Schrijver worden. Beroemd worden als auteur. Vanaf mijn jongste jaren lasg ik alles aan elkaar. Rijp en groen. Dat ben ik trouwens altijd blijven doen. Op de HBS hadden we een leraar Nederlands, Kamman, die me de weg wees. Hij liet ons gedichten uit het hoofd leren en leerde ons de Nederlandse literatuur kennen. Mooie lessen waren het. Een paar keer, in 1944, kwam er een illegaal schoolblad uit. De Bladluis. lk had daarvoor net een gedicht gewrocht, toen de directeur daar achterkwam. De uitgave van zoiets was streng verboden. Het blaadje werd meteen in beslag genomen en de verantwoordelijken streng gestraft.
Op de kweekschool schreef ik ook. Gedichten en ironische stukjes over leraren en medeleerlingen. We moesten natuurlijk ook opstellen maken, maar daarin blonk ik niet bijzonder uit. Het andere geschrijf kreeg niemand te lezen, hoewel ik al een korte roman schreef, die dicht tegen de serie van A.M. de Jong: Merijntje Gijsen, aanleunde,
Tijdens een weekend in Winterswijk - dat moet ergens in 1951 zijn geweest - zagen Riek, mijn latere vrouw, en ik de film ‘Samson and Delila’. Die film maakte nogal indruk op ons. In die tijd waren religeieus getinte films en boeken erg in trek. Er verschenen ook allerlei romans over onderwerpen, die aan de Bijbel waren ontleend, die ik alle las. Zoiets wilde ik ook schrijven. Ik had geluk, dat bij Herberts Joop Sierat in de kost was. Die had heel wat boeken over de achtergrond van de Bijbelse verhalen en van hem leende ik een deel, waarin de periode van de Richteren, waartoe Simsom behoorde, beschreven werd. Bovendien haalde ik uit de bibliotheek in Winterswijk boeken, die ook over dit onderwerp gingen. En ik kon een boek op de kop tikken - tweedehands vanuit Groningen -, dat speciaal de geschiedenis van de Filistijnen behandelde. Ik maakte een paar schriften vol aantekeningen - ook in Hummelo, terwijl ik eigenlijk hoofdakte moest doen - en begon met het echte literaire werk. Ondertussen had ik al een paar verhalen geplaatst gekregen in de Nieuwe Winterswijkse Courant. Mijn eerste honorarium voor een Sinterklaaslegende was deel twee van de Mölle van Van der Lugt. Mijn verhalen waren trouwens in het Nederlands geschreven.
Ik las in Hummelo de Winterswijkse Courant om op de hoogte te blijven van het nieuws daar en ook tante Aaltje las die krant graag. Ik had haar niks verteld en opeens zag ze een verhaal van mij in de krant staan. Ze vond het heel interessant, een kostganger, die schreef.
Er bestond ook nog een blad Opwaarts, waar je gedichten naar toe kon sturen. Die werden geplaatst, wanneer ze goed werden bevonden, maar ze schreven ook terug als er iets aan mankeerde. Ik heb een paar gedichten daar naar toe gestuurd. Ze werden niet geplaatst, maar ook niet helemaal afgebroken. Ik was bezig de literaire berg te beklimmen.
Schrijven aan Simson deed ik echter in Winterswijk. Daar had je langer tijd voor nodig dan een uurtje per avond. De roman kwam af. Ergens begin 1952. Ik tikte op twee vingers de tekst uit. Deels bij Herberts, waar ze een typemachine hadden en ik leende in Miste een machine. Het werd echt een manuscript. Ik wist alleen niet, wat ik er mee aan moest. Ik kon het manuscript wel zo ergens heen sturen, maar ik wilde eigenlijk wel een oordeel hebben. Ik had al enkele keren met Boland over mijn aspiraties gesproken en die beloofde het manuscript te lezen. Hij kon er geen goed oordeel over geven, vond hij, maar hij had een goede kennis, ds. Nortier uit Steenderen, die veel boeken besprak voor een kerkelijk blad. Ik moest eens contact met hem opnemen, raadde hij me aan. Dat deed ik en ds. Nortier wilde het manuscript wel lezen. Hij stuurde mij na een maand of zo het manuscript terug met een aardige brief erbij. Een echte grote roman was het niet, maar er stonden wel goeie stukken in. Ik moest het manuscript duchtig herzien en dan zag hij er wel brood in. Maar ik moest ook geducht op mijn Nederlands letten. Niet alle zinsconstructies klopten. De brief heb ik nog steeds bewaard en ook het manuscript. Ik heb er niks meer mee gedaan. Af was voor mij af en ik kon er niet toe komen om er weer mee aan het werk te gaan. Datzelfde gevoel heb ik nog steeds.
Boland verwees me ook naar een andere kennis. In Oosterbeek. Een zekere Menkman (?). Die was zelf ook dichter en was bereid mij te ontvangen. Op een avond ben ik naar Oosterbeek gegaan. Het was een moeilijke reis, maar ik kwam er. Wat ik mij van het gesprek herinner - ik had een paar gedachten opgestuurd - dat hij vertelde over een seriehoorspel, dat hij had geschreven over Rembrandt en dat momenteel werd uitgezonden. En hij zei één wijsheid, die ik me nog steeds herinner. 'Een gedicht schrijf je niet. Dat moet zich loszingen.' Dat heb ik in elk geval van hem geleerd. Voor het overige had ik als beginnend auteur niets aan hem.
Maar ik was bezig. De literaire verten lokten en in Hummelo zijn in elk geval een paar gedichten ontstaan. Nog niet helemaal los gezongen, maar alla.