Het oorlogsleed van de gemeente Hummelo en Keppel (H.J. van Holten)


'Van alle mooie plekjes
hier op deez' groote aard,
is Hummelo, mijn dorpje
mij toch het meeste waard'.

Bij het schrijven van een overzicht van hetgeen onze gemeente gedurende de bezettingstijd is wedervaren, gaan onze gedachten onwillekeurig terug naar de maand februari 1941, toen bovenvermeld lied uit een revue, welke de muziekvereniging 'De Eendracht' te Hummelo tot 3 maal toe opvoerde, met groot enthousiasme werd gezongen. Hiertoe bestond dan ook alle reden, want hóé waren we op onze vrijheid gesteld en wat misten we die sinds die noodlottige l0e mei 1940.

10 mei 1940.
Reeds in de vroege morgen van die stralende dag kondigden hevige explosies aan, dat er iets bijzonders gaande was. De radio verkondigde: 'Duitse vliegtuigen boven  gesignaleerd' enz. Dat betekende oorlog met Duitsland!
In Hummelo was een commandopost van het 19e Grensbataljon onder bevel van majoor Eldermans gevestigd, welke post later naar Laag-Keppel (Oude Huis) werd overgebracht en van een prikkeldraad-omheining werd voorzien. De administratie was gevestigd in villa 'Lodewijk'.
Vele mensen groepten samen op de hoek van de wegkruising bij hotel 'de Gouden Karper'; we zagen de Nederlandse militairen, die voor ons goede bekenden waren geworden (de kapiteins Witteveen, Van Wamel, de Ie luitenants Janssen en Schotman, de adjudanten-onderofficier Van Schaik en Engelhart, de sergeanten Van Dalen, Van Gils, Homburg, Bon-tius, Westera en zovele anderen) beheerst afscheid nemen, soldaten met een oranje band om de arm kwamen in looppas aangerend, er weerklonken enkele korte bevelen en alles verdween richting Zutphen. Weldra deden de wildste geruchten de ronde. De eerste kennismaking met de oorlog was een Duits vliegtuig, dat zo laag over het dorp Hummelo en omgeving scheerde, dat de inzittenden duidelijk zichtbaar waren. Direct daarop naderden de eerste Duitse gemotoriseerde stoottroepen met een kleine pantserwagen, waarop de naam 'Grohau' geschilderd was. Nadat deze troepen een ogenblik rust hadden gehouden, vertrokken ze eveneens richting Zutphen. Bij het poststation te Hummelo werden de eerste Nederlandse krijgsgevangenen gemaakt.
Weldra verspreidde zich het bericht, dat Hummelo en omgeving inkwartiering zou krijgen, dit bleek inderdaad het geval te zijn.
Het eerste schokkende bericht, dat in de gemeente bekend werd, was de tragische dood van de arts R.P. Belinfante te Laag-Keppel. Deze had zich in korte tijd bij een ieder zeer gezien weten te maken en gaf o.a. de stoot tot de oprichting van de gymnastiekvereniging 'de Sperwer'. Zijn echtgenote, die haar man in de dood wenste te volgen, kon in het leven gehouden worden, doch zij is later na een ernstige ziekte overleden.
De tweede harde werkelijkheid van de oorlog ondervond Hummelo in de nacht van l op 2 oktober 1940, toen een Engelse bommenwerper na een luchtgevecht bij de boerderij 'de Balen' neerstortte, waarbij het vliegtuig in brand geraakte. Hierbij vonden helaas 5 piloten de dood.
Twee hunner konden niet worden geïdentificeerd. Zij werden op de begraafplaats te Hummelo ter aarde besteld, waar een eenvoudig houten kruis hun laatste rustplaats aanwijst. Hun namen zijn: N.H. Andrew, A. Rocoe en C.V. Harris (sergeant R.A.F.).

Sabotage. Gijzelaars gesteld
Dan komt na geruime tijd van rust het bericht, dat onder Hummelo kabels van de Duitse Wehrmacht zijn doorgehakt. Op het gemeentehuis had een stormachtig onderhoud plaats met de S.D. De chef van de S.D. Thompson bulderde: 'Das prötzige Nest Hummelo hat die Spitze abgebissen! Ein und zwanzig malen sind die kabel zerschnitten worden'! Onmiddellijk werden er gijzelaars gesteld, te weten de heren: Dr. B.J. Westerbeek van Eerten, Mr. J.P. Coops, E.W. Tenkink, J.A. Markvoort jr, Ir. Ernst Deleth, S.E. van der Hardt Aberson, A.S.H. Graaf van Rechteren Limpurg, Jager en Wensink. Daar de heer S.E. van der Hardt Aberson afwezig was, werd de heer H.A.G. van der Hardt Aberson opgepakt. Genoemde gijzelaars werden in de raadzaal van het gemeentehuis te samen gebracht en vandaar naar Doesburg getransporteerd, vervolgens naar het kamp te Schoorl, waar zij enkele dagen verbleven en het betrekkelijk goed hadden. Dan volgde de overbrenging naar het concentratiekamp Leusden bij Amersfoort, waar de behandeling belangrijk slechter was.
Dr. Westerbeek van Eerten werd ten tweede male opgehaald in verband met het bekende adres van de Nederlandse doktoren aan Seyss-Inquart. Een groot aantal Nederlandse rechercheurs was inmiddels gearriveerd, om de dader op te sporen. Toen een aantal jongelingen, speciaal voor dit doel opgeroepen, een schrijfproef had afgelegd in de O.L. school te Hummelo, nadat te voren bij het gemeentebestuur een anonieme brief was ingekomen, meende men de dader te hebben gevonden in de persoon van de jongen Jan Veldkamp. Deze legde een volledige bekentenis af en werd voor zijn daad door het 'Kriegs-gericht' te Zutphen ter dood veroordeeld. Voor deze terechtzitting waren de burgemeesters van 24 Gelderse gemeenten opgeroepen. Deze heren werd te verstaan gegeven, dat zij voor de veroordeelde gratie konden aanvragen, met het oog op zijn jeugd (17 jaar). Vanzelfsprekend werd gratie gevraagd en de straf werd gewijzigd in levenslange tuchthuisstraf, in Duitsland door te brengen. Hij werd naar Duitsland overgebracht en zou volgens betrouwbare inlichtingen op 9 februari 1944 te Charlottenburg bij Berlijn zijn overleden. Deze jongeman heeft zich tijdens zijn verhoor en zijn gevangenschap als een held gedragen. Na enige dagen van angstige spanning voor de achtergebleven familieleden, keerden de gijzelaars op 23 september 1941 in hun woonplaats terug. Een moeilijke tijd maakte vervolgens de familie G.J. Teerink door, daar de beide zoons in hechtenis werden genomen, verdacht van medewerking te hebben verleend aan de verspreiding van het toen illegale blad 'Vrij Nederland'. Beider straf bestond uit deportatie naar Duitsland. Na een verblijf van ca. l ½ en 2 jaar in het tuchthuis te Rheinbach bij Keulen zijn deze heren behouden in hun huiselijke kring terug gekeerd.

Kabelwacht
Als gevolg van de kabelvernieling werd een kabel-wacht ingesteld en deed het on-Nederlandse woord 'kabelen' zijn intrede. Op bevel van de politie moesten alle messen en radiotoestellen worden ingeleverd, doch hiermede werd nogal de hand gelicht. Later konden de messen worden teruggehaald op het gemeentehuis en de radiotoestellen uit de voormalige O.L. School te Laag-Keppel. In dit gebouw moest destijds ook al het koper en tin worden ingeleverd.
Bij de kabelwacht deden zich vaak vermakelijke voorvallen voor, o.a. werd door een vooraanstaande ingezetene zijn post betrokken, gezeten onder een grote oranje paraplu, een ander vlijde zich in een ligstoel, er was ook harmonikamuziek, enz. Doch spoedig kreeg de S.D. hier lucht van en was het mooie leven uit.

Inlevering radiotoestellen, rijwielen
Bij de eerste inlevering werden 352 radiotoestellen ingeleverd, terwijl bij het zgn. generaal-pardon nog 23 toestellen werden ingeleverd, in totaal 375 toestellen. De toestellen werden op de zolder van de N.H. Kerk te Hoog-Keppel ten laatste opgeborgen. Van al deze toestellen zijn er maar weinig terechtgekomen, steeds werden er toestellen door Duitse militairen 'leihweise' weggehaald, vooral door of vanwege de te Doesburg gevestigde Ortskommandantur. Met de ingeleverde rijwielen ging het al evenzo. Een groep valschermjagers, die te Laag-Keppel was ingekwartierd, eiste onder bedreiging van standrechtelijk doodschieten van burgers, een groot aantal bruikbare rijwielen. Andermaal liep ook dit geval weer met een sisser af.

Inlevering metalen
Bij de inlevering van metalen in 1941 verschenen 394 personen, die in totaal voor een gewicht van 709,15 kg metalen inleverden, of gemiddeld 0,22 kg per inwoner. Hiervoor werd een bedrag van ƒ 152,92 in totaal wegens vergoeding betaald.

Vordering kerkklokken
Van de in deze gemeente aanwezige kerkklokken werden in 1942 gevorderd:
a. de klok in de toren te Hoog-Keppel. Deze klok had een diameter van 0.85m. en dateerde van 1864. Zij droeg als inscriptie: 'Gegoten in de fabriek van H.A. van Bergen te Heiligerlee in den jare 1864. Het Gemeentebestuur van Hummelo en Keppel, C.W.Vrijland, Burgemeester, C.H. Japing, Weth., E.G.A. Baron van Pallandt, Wethr.';
b. de klok in de toren bij de N.H. kerk te Laag-Keppel. Deze klok, met een diameter van 0,78m., droeg geen jaartal en inscriptie;
c. de beide klokken in de toren van de N.H. kerk te
Hummelo, welke dateerden van 1838 en een diameter hadden resp. van 0,87 en 0,68 m. Beide droegen als
opschrift: 'Petit Et. Eratres Eldelbroek in Gescher Me Fecerunt 1838'.

Ontzettende bominslag
Een ander schokkend moment beleefde ons dorp in de nacht van 13 op 14 juli 1942. Een vliegtuig raasde laag over de huizen, plotseling een hevige slag, een bom was ingeslagen enige meters van de boerderij 'de Stokhorst', een tweede in een weide bij boerderij 'Priesterinkhof'. De ontzettende mare deed weldra de ronde: 'de Stokhorst' staat in brand; het gehele gezin dood' (man, vrouw en 4 kinderen). De dienstbode en de knecht werden op wonderbaarlijke wijze gespaard. Het was of een ijzige hand zich die nacht legde om de harten van onze dorpelingen. De eens zo welvarende hofstede met haar sympathieke bewoners in enkele seconden weggevaagd.
Doch het zou nog erger worden naarmate de krijgskans zich tegen Duitsland keerde.

De Jodenvervolging
Tot september 1942 vertoefden in het kamp 'de Wittebrink' mannen uit Rotterdam, die in de bossen te werk gesteld waren. Deze mannen werden plotseling naar elders overgebracht en in hun plaats werden door S.S.-militairen Joodse mannen, die in Den Haag en elders waren opgepakt, naar genoemd kamp getransporteerd. Deze Joden hadden het enige weken bijzonder goed, dank zij de krachtige hulpverlening van de heren Dr. Westerbeek van Eerten en de kampleider Burggraaf. Talloze pakketten werden hen toegezonden, hoewel dit verboden was. De 3e oktober 1942 verschenen plotseling S.S.-troepen, die deze beklagenswaardige mensen wegvoerden en tot nu toe heeft niet één van hen meer een levensteken gegeven. In dit verband vermelden we, dat de heer S. Jacobs te Laag-Keppel reeds in het najaar van 1941 werd opgepakt met vele geloofsgenoten uit de omgeving. Reeds na enkele weken kwamen uit Duitsland (Mauthausen) de doodsberichten binnen, met een of andere gefingeerde doodsoorzaak. De echtgenote van de heer Jacobs, die was ondergedoken, is op het laatst nog in handen gevallen van haar belagers, zodat van deze familie nog slechts de beide kinderen zijn overgebleven.
In Laag-Keppel bevond zich in het zgn. 'Oude Huis' een kolonie van Palestina-pioniers. Van deze mensen is zeer waarschijnlijk een klein gedeelte teruggekeerd. In Eldrik werd een Jood gearresteerd (bij de familie Katgert), terwijl in Laag-Keppel een geval van ernstige Jodenmishandeling door de beruchte 'overste' Feenstra plaats had.
Op 29 januari 1943 kwamen Haagse evacué's hier aan, die hun woningen aldaar moesten ontruimen op last van de Duitsers. Zij werden hier gastvrij ontvangen en, nadat zij in zaal Wassink wat op hun verhaal waren gekomen, ondergebracht bij particulieren. Onder deze evacué's bevond zich ook het Haagsch Hervormd Weeshuis (directeur de heer H. Wiersma), dat zijn intrek nam in het kasteel Enghuizen.

De luchtoorlog
In de avond van 26 maart 1943 beleefde de bevolking van onze gemeente angstige ogenblikken, toen geallieerde vliegtuigen, blijkbaar uit de koers geraakt op de terugweg van hun raid naar het Ruhrgebied, bommen lieten vallen en er onder andere te Drempt 2 boerderijen in brand geraakten (Van Lit en Wil-lemsen).
Ook viel er in de middag van de 19e november 1943 een groot aantal bommen in de Torenallee en omgeving. Daar de meeste in het land terecht kwamen, hebben deze gelukkig weinig schade aangericht. Wel brandde te Hummelo een zaadberg bij de boerderij Oud-Wissink af.
Verschillende malen zijn in de gemeente Duitse en geallieerde jachtvliegtuigen neergestort, o.a. te Laag-Keppel en te Drempt.
Noodlanding Duitse jager op 30 januari   1944 te Drempt, bestuurder ongedeerd.
5 september 1944 werden 2 Duitse motorvoertuigen onder Eldrik in brand geschoten (een keukenwagen en een luxe auto).
Woning van H. Jansen te Hummelo A 297 werd op 17 september 1944 om 17.00 uur bij een luchtgevecht door brand vernield.
17 september 1944 Duits jachtvliegtuig te Drempt neergeschoten, waarbij de piloot werd gedood.
23 september 1944 Duitse jager te Laag-Keppel neergestort, piloot ongedeerd.
26 september 1944 Duits jachtvliegtuig te Drempt neergestort, piloot gewond en te Eldrik gedaald.
27 september 1944 Duits jachtvliegtuig te Drempt
neergestort, piloot ongedeerd.
18 oktober 1944 werd een Duitse militaire vrachtauto
op de Zutphenseweg tegenover het kasteel  'Eng-
huizen'  in brand geschoten, waarna deze met een
geweldige knal uit elkaar sprong en veel ruitschade
werd aangericht.
26 november 1944 werd een Duitse auto bij de boerderij 'Hofstede' beschoten en een inzittende majoor zo zwaar gewond, dat hij in het noodziekenhuis te Laag-Keppel overleed. Voorts werd nabij deze boerderij een vrachtauto met levensmiddelen voor de Duitse Wehrmacht in brand geschoten. Menigeen heeft die avond op onverwachte wijze pakjes met soepgroenten kunnen bemachtigen, daar deze bij tientallen aan de kant van de weg lagen, onder het motto: 'Ik wil toch wetten hoe het grei smik'.
11 december 1944 Engels vliegtuig te Drempt noodlanding gemaakt, piloot ongedeerd en gevangen genomen.
23 januari 1945 geallieerd vliegtuig stort neer op een blok van 4 woningen aan de Dorpsstraat te Laag-
Keppel. 4 ingezetenen werden gedood.
24 maart 1945 de boterfabriek te Hoog-Keppel beschoten.
25 maart 1945 kasteel Enghuizen te Hummelo gebombardeerd.

Het jaar 1944 en vooral de winter 1944/'45 kenmerkten zich door de droeve hongertochten van duizenden stedelingen naar de Achterhoek. Ook deze gemeente heeft zich, wat betreft het verstrekken van voedsel en het verlenen van onderdak aan deze mensen, van haar beste zijde laten zien. Veel en royaal is er gegeven. Dat dit mogelijk was, kwam voor een groot deel door de onvolprezen medewerking, die de beide Plaatselijke Bureau-Houders aan de goede zaak verleenden.

Aan de O.T.-graverij heeft onze gemeente, evenals vele andere, ruimschoots haar aandeel moeten leveren. Het begon in het laatst van september, toen Hummelo (althans de dorpskombewoners) om 5 uur 's morgens uit bed werd gehaald door Duitse militairen, met het bevel om zich, voorzien van bord, lepel en vork en een fiets en zo mogelijk een schop te begeven naar de O.L. School te Hummelo. Tegen de schemering werd onder militair geleide afgemarcheerd naar Laag-Keppel, vanwaar vele van onze mensen op bevel van de S.S.-functionaris(!) Maas uit Wehl werden doorgestuurd naar Bingerden, om daar graafwerk te verrichten. 12 oktober 1944 kwam het bevel, dat alle mannen zich op het schoolplein te Hoog-Keppel moesten verzamelen, zgn. voor keuring voor de O.T. Bij deze gelegenheid achtte genoemde gezagdrager het nodig, ter handhaving van de orde, enige malen met zijn revolver in de lucht te schieten. Het gedrag van dit heerschap wekte te meer verwondering daar, volgens uitlating van toen nog gezaghebbende Duitsers, de persoon Maas hun volkomen onbekend was, ondanks zijn 4 sterren op de kraag. Aan onze mooie bossen werd veel en moedwillig vernield, we denken hierbij aan de tankgracht, welke tussen Laag-Keppel en Hummelo langs de Wrangebult en door de bekende Hessenweg werd gegraven en waarvan het nut door niemand - ook door de O.T. niet - werd ingezien. Ook onder Drempt en in Eldrik werd een dergelijke gracht opgeworpen. De boeren werden geprest o.a. hout te rijden voor stellingen, alsook om kolen voor de Wehr-macht uit Arnhem te halen, alsmede om uit fabrieken geroofde machines naar Duitsland te vervoeren.
Omstreeks september 1944 werden we weer eens verrast met inkwartiering, ditmaal voornamelijk Oostenrijkers, voor wie de komende Duitse nederlaag een feit was en die dit openlijk uitspraken.

Begin oktober 1944, na de luchtlandingen te Arnhem, kwamen de eerste Nederlandse vluchtelingen, bepakt en gezakt, te voet, per rijwiel en op wagens, uit Arnhem, de Betuwe en de Liemers hier aan met het doel, nadat zij enige dagen hier zouden hebben doorgebracht, verder te reizen naar het noorden of dieper de Achterhoek in. Velen van hen zijn evenwel tot het einde van de oorlog in onze gemeente achtergebleven. Ook voor deze mensen is veel gedaan, vooral het Rode Kruis heeft in dit opzicht veel en verdienstelijk werk verricht. Men achtte zich algemeen bevoorrecht door nog niet van huis en haard te zijn verdreven.
Moeilijke dagen beleefde ook het 'Haagsche Weeshuis' toen het, op last van de bezetter, kasteel Enghuizen moest verlaten. Spontaan werd echter van alle kanten hulp geboden en vonden directie, personeel en kinderen overal in de gemeente een gastvrij onderdak.

Slachtoffers van de oorlog
Tot nog toe zijn er weinig oorlogsslachtoffers te betreuren geweest, totdat op 31 mei 1944 de machinist C.W. Coldewijn uit Doetinchem op zijn machine door een vliegtuig werd beschoten en dodelijk werd getroffen nabij de Tolbrug. Op 14 februari 1945 werd een pupil uit het Rijksjeugdkamp 'de Tol' door beschieting uit een vliegtuig gedood. 24 oktober 1944 valt de onderwijzer J. Wagelaar als slachtoffer van de roekeloosheid van Duitse soldaten, die onder El-drik zgn. op jacht waren. Bij beschieting van een in de Oude IJssel bij de draaibrug te Hoog-Keppel liggend woonschip vinden 3 mensen de dood op 7 oktober 1944; 21 maart 1945 stortte een geallieerd vliegtuig in de Dorpsstraat te Laag-Keppel neer op een blok van 4 woningen; 3 ervan brandden geheel uit, waarbij 4 ingezetenen om het leven kwamen. De piloten bleven ongedeerd en zijn zeer waarschijnlijk in veiligheid gebracht. 18 november 1944 vond een graver uit Utrecht de dood ten gevolge van een aanrijding met een Duitse militaire vrachtauto op de Rijksstraatweg nabij 'Groot Zande'. Op 25 maart 1945 vindt een 3-tal evacué's, n.l. de kinderen Eeltink uit Rheden en Johanna A. Maandag uit Arnhem, de dood bij het bombardement van het kasteel Enghuizen door geallieerde vliegtuigen, terwijl enkelen gewond werden. Het kasteel was door de Duitsers als nood-ziekenhuis ingericht en korte tijd te voren ontruimd. Na het bombardement van Doetinchem werden de patiënten uit de Doetinchemse ziekenhuizen hier tijdelijk ondergebracht. 3 april overleed alhier in het Canadese hospitaal een inwoner uit Dieren, nl. Hendrikus Rensen, die door een granaatscherf dodelijk werd gewond. Een zwarte schaduw werd over de vreugde van de bevrijding geworpen door een ontzettend ongeluk, dat op 2 mei 1945 bij het gemeentehuis te Hoog-Keppel plaats had, ten gevolge van de ontploffing van een (vermoedelijk) landmijn, waar 4 jonge leden van de N.B.S. de dood vonden en hiermee hun leven offerden voor het vaderland.
De teraardebestelling had op sobere, doch aangrijpende wijze door de leden van de N.B.S. plaats te Hoog-Keppel (J. Schellingerhout), te Wehl (J.M. Lukassen) en te Hummelo (E.H. Jolink en H.J. Heutink).
Te Herne in Duitsland overleed op 23-jarige leeftijd H.J.W. Spijker uit Hoog-Keppel, terwijl dit met stelligheid ook mag worden aangenomen van G.J. Milius, eveneens uit Hoog-Keppel (27 jaar en gehuwd). Omstreeks maart 1945 kreeg deze gemeente andermaal inkwartiering, waarbij sommige ingezetenen de last kregen hun woning binnen 24 uur te verlaten. Toen reeds openbaarde zich de chaos, welke in het Duitse leger heerste, want, zodra door een bepaald onderdeel meerdere huizen zgn. 'belegt' waren, gebeurde het dan meermalen, dat een ander legeronderdeel het opschrift uitwiste en zich tevreden stelde met enkel een kamer. Hierbij ontstond dan dikwijls heftige onderlinge strijd, wie voorrang had en wie zich de vluchtwagentjes (zelfs kinderwagens) mocht toeëigenen. Alles was gericht op de eventuele vlucht. Ook de boeren moesten zich met wagen en paard hiervoor gereed houden.

De bevrijding
De Tommies zijn bij 'Waarlo', die en die heeft ze gezien en heeft reeds Engelse sigaretten gerookt'. Aldus de berichten op de Ie Paasdag 1945. Sinds 11 november 1944 waren het hotel 'de Gouden Karper' te Hummelo en hotel 'de Gouden Leeuw' te Laag-Keppel door de O.T. gevorderd, alsmede huize 'De Wildhoek', waar Kreisleiter Pott en Leutnant z. F. vom Rath de scepter zwaaiden. Laatstgenoemde ontzag zich niet om mensen, die op gammele fietsen vaak uren ver voedsel hadden gehaald, dit hun weer afhandig te maken. Op een middag verscheen Vom Rath op het gemeentehuis om een onderzoek in te stellen, vermoedelijk was dit aangebracht. Op de vliering stootte hij op een gesloten deur, hetgeen zodanig zijn ergernis opwekte, dat hij deze intrapte. Het succes was groot: 'geweren'. De ontnuchtering was echter niet minder, want de vondst bestond uit oude geweren, die bij het vogelschieten e.d. werden gebruikt. Was hij enkele dagen eerder gekomen, dan had deze speurder een radiotoestel in beslag kunnen nemen, waarmede clandestien naar de Engelse zender geluisterd werd, doch welke bijtijds werd verwijderd. Goede Vrijdag 's avonds vertrokken de heren na alarmering.
Hummelo nam afscheid van Jobski, Jürgensen c.s., al was dit afscheid dan ook weinig hartelijk. Tevoren hielden Todt-mannen nog een oefening in het gooien met handgranaten, maar de lust was er uit. Zaterdags vóór de bevrijding werd er door 2 hoge en zwaar bewapende S.S.-officieren op het Gemeentehuis als laatste stuiptrekking een algemene melding bevolen onder dreiging van doodschieten en werden die morgen mannen van de weg opgepikt om wagens uit de bossen te slepen. Het handjevol mannen, dat bij de melding verscheen, kon evenwel spoedig huiswaarts keren, daar er blijkbaar geen behoefte meer bestond aan het graven van een tankgracht of dergelijke. In de morgen van de Ie Paasdag kreeg de familie Ravenswaaij bevel haar huis te verlaten, aangezien dit zou worden verdedigd. Duitse soldaten kwamen in en uit, deden zich te goed aan biscuits, welke ze uit 't gebouw van de Coöperatieve Landbouw-vereniging roofden en probeerden zoveel mogelijk fietsen te stelen. Zo kwam het, dat menigeen op de laatste dag vóór de bevrijding zijn of haar rijwiel kwijt raakte.
Tegen 6 uur 's avonds sloeg de eerste granaat in de Dorpsstraat te Hummelo in. Alles vlucht de kelders in, een Duitse soldaat zocht zijn heil in de kelder van meer genoemd hotel, doch werd door een granaatscherf gedood. Zijn lijk werd door de Canadezen in de tuin tegenover het hotel begraven. Ook in de tuin van Dr. Westerbeek van Eerten werd een gesneuvelde Duitse militair begraven.
Na een korte rustpoos werd het bombardement hervat en de dorpskom zwaar onder vuur genomen, vermoedelijk was dit bedoeld voor de mogelijk nog aanwezige O.T., daar het hotel het zwaar te verduren kreeg. De bewoners van het hotel en het personeel hebben angstige uren doorgemaakt, die zij nooit zullen vergeten. De kerk en enkele huizen werden bij deze beschieting ook zwaar beschadigd. Het Canadese geschut stond opgesteld in de Kruisberg. Als merkwaardigheid vermelden we, dat enkele families (Oosterink e.a.) een toevlucht hadden gezocht in de grafkelder op de begraafplaats. Omstreeks half negen weerklonken de eerste vreugdekreten, de bevrijding was een feit! Toch is er hevig gevochten, vooral op het kruispunt bij Groot Zande, waar vele Duitsers sneuvelden. Doch ook sneuvelden er van onze bevrijders; een 4-tal hunner werd ter aarde besteld te Laag-Keppel aan de Rijksstraatweg nabij huize 'de Wildhoek'. Eere zij hun nagedachtenis. Ook te Hoog-Keppel werd zwaar gevochten, waarbij enkele Canadezen sneuvelden. Vlak voor het Gemeentehuis hadden de Duitsers geschut opgesteld. Tijdens de bevrijding werden te Eldrik 2 boerderijen (Bles en Rooijakkers) en te Hoog-Keppel l (Kuiperije) verwoest.

Nog enkele bijzonderheden
Ingaande 24 februari 1945 kreeg deze gemeente een N.S.B.-burgemeester in de persoon van M.A. Smit, afkomstig uit 's-Heerenberg, burgemeester van Duiven.
Als bijzonderheid vermelden we, dat de prinselijke auto bij de bevrijding, op weg naar Doesburg, aangehouden werd bij de N.H. kerk te Drempt. Juist bijtijds, was deze nog even doorgereden, dan was de wagen in het Duitse vuur terecht gekomen.
Op de begraafplaats te Hoog-Keppel zijn de volgende Duitse militairen begraven:
Günter Reuter, Fliegeroff., geb. 18-6-1922, gest. 17-9-1944.
Max Lang, Fliegeroff., geb. 11-4-1923, gest. 17-9-1944.
Verder zijn aldaar begraven 8 lijken van militairen, afkomstig van het lazaret, dat destijds in kasteel 'Ulenpas' was gevestigd, en 3 lijken van Duitse militairen, die op 3 april 1945 bij het gemeentehuis te Hoog-Keppel zijn gesneuveld. Te Laag-Keppel aan de Rijksstraatweg naar Doetinchem, nabij huize 'de Wildhoek' zijn 4 Canadese militairen begraven, te weten: J.A. Valliere (gesneuveld 5-4-1945), P. Babeckis (gesneuveld 5-4-1945), W. Brailsford (gesneuveld 12-4-1945) en E.B. Howard (gesneuveld 30-4-1945).

Gesneuvelden uit Hummelo en Keppel
Gerrit Hoogkamp, geb. 29-5-1904 te Steenderen, wonende te Drempt, tussen 10 en 14 mei gevallen bij de Grebbe-linie.
Idem Hendrikus Verstege, geb. 8-2-1917 te Hummelo en Keppel, wonende te Drempt.
Wij menen dit overzicht niet te mogen besluiten zonder een gevoel van grote dankbaarheid te koesteren tegenover de Voorzienigheid, die gewild heeft, dat het oorlogsleed in deze gemeente geen grotere afmetingen heeft aangenomen. In dit verband denken we aan de jongemannen uit deze gemeente, die in 1939 werden opgeroepen en die -op twee na- behouden zijn teruggekeerd.

Hoog-Keppel als Transito-oord
In de Oude IJssel, welke zich in vele bochten door het Achterhoekse landschap wringt, bevond zich nabij Keppel een aantal woonarken, welke als verblijfplaats dienden voor de opzichters, werkzaam aan de kanalisering van dit pittoreske riviertje.
Vlak bij de brug in de Eldrikseweg lag de schuit van de familie Wieringa, wier trouw het vaderland nooit in de steek heeft gelaten, toen de overheersershand zich uitstrekte naar hen, die niet in het nazi-gareel marcheerden wilden.
In het Friese arkje de 'Strâl-lip', welke tijdens hoog water op het droge was 'geraakt' en op een stille zondagmiddag door de heer Wieringa met behulp van een aantal vertrouwde vrienden totaal onder het zand bedolven was (ondanks de activiteit van de O.T., die in de omgeving loopgraven aanlegde), heeft menige Hollander zowel als buitenlander onderdak gevonden. Het was voor de heer Wieringa een hele onderneming, toen hij in september 1944 opdracht kreeg een Amerikaanse piloot te gaan halen in Hengelo (G). Deze Zuid-Amerikaan, zoon van een senaatslid te Ascun-sion, de hoofdstad van Paraguay, was tijdens een nachtvlucht als commandant van een escadrille bommenwerpers in de omgeving van Bremen met zijn toestel neergestort en had zich, na het neerschieten van een boswachter, een politieagent en een soldaat, een weg weten te banen door de Duitse linie en was, levend van water en eigenhandig uitgegraven rauwe aardappelen, aldus in Holland aangekomen, waar hij weldra gastvrijheid vond bij bereidwillige lieden, die hem hielpen op de weg terug naar zijn vaderland. Op de stang van de fiets van zijn begeleider gezeten, reed Djors Adros naar zijn nieuwe 'home', in dit geval een ondergedoken woonschuit, afgewisseld met een drijvende zandzuiger op non-activiteit. Oppassen was echter dubbel geboden, daar het getaande uiterlijk en het zwarte sluike haar duidelijk de Indiaanse afstamming van deze Zuiderling verrieden. Nu volgde voor de piloot een verborgen leven van binnenzitten, dat hoofdzakelijk gevuld werd met lezen, spelletjes en aardappels schillen. Het nachtelijke luchten en de periodieke uitstapjes naar de schuit van de familie Wieringa vormden iedere keer weer een heerlijke sensatie in het eentonige leven van deze vluchteling. Gelukkig had hij gezelschap van een Belg, die, na tijdens de terugtocht van de Duitsers in Brussel met zijn auto 'gevorderd' te zijn, er met zijn wagen vandoor ging, in Keppel belandde, zijn auto in een hooiberg verstopte en ten slotte terecht kwam in deze geïmproviseerde woonruimte, om daar negen maanden, dus tot na de bevrijding, te blijven. Negen maanden onder de grond! Djors ging in oktober alweer verderop en had, naar later bleek, kans gezien een broodmes mee te nemen, ten einde bij eventuele gevangenneming zijn polsen door te kunnen snijden, volgens een hem ingeroeste heidense ritus, zich niet levend in de handen van de vijand over te geven.
Zo kwamen en gingen via dit tussenstation onderduikers, geallieerde piloten, saboteurs enz. naar veiliger oorden. Op Nieuwjaarsdag werd hun aantal weer aangevuld door twee Amerikanen, die na het station te Winterswijk te hebben gebombardeerd, met behulp van hun parachutes uit het aangeschoten vliegtuig waren gesprongen en na veel omzwervingen via Ruurlo naar de 'arke der veiligheid' waren gebracht. Al deze militairen hadden geen idee van de schaarste aan meest noodzakelijke artikelen, als zeep en textiel. Het werd mevr. Wieringa, die zich belast had met de omvangrijke huishoudelijke verzorging, wel eens erg vreemd te moede als ze zag, dat het kostbare stukje luchtzeep in één keer door haar pupillen bij het wassen was opgebruikt, of als ze voor de uitgeputte linnenkast van haar man stond. Gelukkig voor haar hadden de arbeiders van de zuiger, welke een eindje verderop gemeerd lag, bij hun vertrek in de spannende septemberdagen, al het beddegoed op de schuit achtergelaten, zodat de zes kribben in de ark behoorlijk konden worden ingericht.
In februari was voor de twee luitenants van de Royal Air Force: Raymond Boom en John Caughlan, de kans schoon om verder getransporteerd te worden en, met landkaarten in hoed en handschoenen genaaid, via een tussenstation in Didam, Lobith te bereiken, waar een bootje hen over de Rijn bracht, de linie, die de grens vormde tussen het Duitse en Engelse front. Afgeschoten vuurpijlen waren het bewijs van hun veilige overtocht, terwijl enkele weken later het afgesproken radio-codeteken: 'De koffie is bruin', de aankomst bij hun legeronderdeel aankondigde. Behalve als woonruimte deed de ark ook dienst als schietbaan en oefenlokaal voor aankomende B.S.-ers, die hier in afzonderlijke groepjes van drie avond aan avond met pistool en stengun hun trefvaardigheid toonden, terwijl een wacht aan de ingang een oogje in het zeil hield, opdat ongewenste bezoekers, indien nodig, met de wapens bedwongen konden worden. Een elektrische kabel, welke brutaalweg in 't geheim was afgetakt van de lichtleiding van een boerderij, waar Duitse militairen ingekwartierd waren, maakte het mogelijk, dat de gehele dag de lampen konden branden en de radio kon spelen, een luxe, welke de burgers in die dagen niet was beschoren. Deze illegale acties, welke ieder op zich zelf levensgevaarlijk waren en waarvan de volle ernst in vredestijd onmogelijk meer is te peilen, gingen niet altijd van een leien dakje. Op zekere dag naderden Duitsers in een roeiboot de schuit zo omzichtig, dat zij door de bewoners bijna te laat waren opgemerkt. In aller haast werden de aanwezige wapens in een bedstee en achter een deur geworpen, terwijl een ieder, wiens aanwezigheid niet wettig verklaard kon worden, ijlings verdween door het raam in de loopgraaf naar een apart schuilhok in deze schuilplaats. Hoewel iedere buitenlander als veiligheidsmaatregel een paar meest gebruikelijke Hollandse woorden en zinnen waren ingepompt, zou het hun toch vanzelfsprekend onmogelijk zijn om, ondanks de goede valse papieren, een verhoor bevredigend te ondergaan. Vrijwel elk plekje werd doorzocht en de heer Wieringa volgde uiterst gespannen, doch uiterlijk doodkalm, elke beweging van de Duitsers welke noodlottig zou kunnen zijn. Goddank, de bedstee werd overgeslagen en de Engelse boeken op de boekenplank werden over het hoofd gezien.
Gelukkig was de aanwezige radio tussen de dubbele wand achter een kast goed verstopt, maar de familie Wieringa stond doodsangsten uit, dat de stroom plotseling ingeschakeld zou worden (wat tegen deze tijd meestal het geval was), zodat én radio én licht de clandestiene stroomvoorziening aan het licht zouden brengen, aangezien in de acute verwarring niemand er aan gedacht had de hoofdschakelaar om te draaien. In een dergelijke situatie bevond zich de heer Wieringa, wiens onverbiddelijke strijdlust zijn zenuwen deed beheersen tijdens dit vuige spel tussen leven en dood. Onvoldaan over hun vergeefse werk moesten de Duitsers onverrichterzake terugkeren.
Zonder zich te laten terugschrikken door voorvallen als deze, werd steeds verder gewerkt. Er moesten weer wapens gehaald worden. Spontaan toog mevr. Wieringa op weg naar één der arsenalen en keerde terug met een tas vol revolvers en stens, waar bovenop de heerlijkste appels prijkten.
Stevig fietste ze door. 'Halt, absteigen!' Enige Fallschirmjäger hielden haar aan, doch lieten haar ongemoeid verder gaan, toen hun weemoedig verklaard werd, dat het voor 'kranke kinder' bestemd was. Tot driemaal toe werd ze door een wacht aangehouden, zonder echter de kluts kwijt te raken of haar angst te verraden.
Dat was het werk van een vrouw!
Dat was het werk van een gezin, dat in samenwerking meehielp de vijand de doodsteek toe te brengen, terwijl een tijdlang op nog geen vijftig meter afstand een dubbele Duitse wacht op de brug 'een oogje in het zeil hield'.
Als aardige bijzonderheid kunnen we hierbij vermelden, dat de heer Wieringa met deze wacht had afgesproken dat, wanneer hij laat thuis zou komen, tegen de voorschriften der 'Sperrzeit' in, hij de achterhoekse standaarduitdrukking: 'Boe, now moj's kieke', zou bezigen, opdat de militairen, die in hun voortdurende angst nogal vlug van het wapen gebruik plachten te maken, hem door hun vuren niet onverwachts zouden overrompelen. Begrijpelijkerwijs trokken de onderduikers hier hun voordeel uit door eveneens te grommen: 'Boe, now moj's kieke', wanneer het wat laat geworden was.

Oorlogsslachtoffers in Hummelo en Keppel
Belinfante, Robert Paul, 34 jaar, arts, overleden te Doetinchem op 13 mei 1940.
Lisser, Marianne, echtgenote van R.P. Belinfante, juiste datum en plaats van overlijden niet bekend.
Teerink, Carel Gerrit Jan, 42 jaar, overleden 14 juli 1942.
Schieven, Berendina Hendrika, echtgenote van C.G.J. Teerink, 36 jaar, als voren.
Teerink, Johanna, 14 jaar, als voren.
Teerink, Dina, 12 jaar als voren.
Teerink, Carel Gerrit Jan, 7 jaar, als voren. Wagelaar, Jan, onderwijzer, overleden te Doetinchem 24 oktober 1944, 35 jaar.
Coldewijn, Cornelis Willem, machinist G.T.M., wonende te Doetinchem, overleden te Hummelo 31 mei 1944, 50 j aar.
Van Baal, Johanna Wilhelmina, echtgenote van H. Witjes, 28 jaar.
Witjes, Arnoldus, 2 jaar.
(Lagen met schip in de Oude IJssel bij de draaibrug te Hoog-Keppel, door geallieerde vliegtuigen beschoten.) Beiden zijn 7 oktober 1944 overleden.
Jan Jansen, schipper, oud 48 jaar, in het Algemeen Ziekenhuis te Doetinchem overleden, na een schotwond in de rug.
De Fuijk, Frederik, 49 jaar, gehuwd, werd door een Duitse militaire vrachtauto op 18 november 1944 op de Rijksweg nabij 'Groot Zande' aangereden en gedood. Was een graver uit Utrecht.
Brui l, Grada Henriëtta Johanna, echtgenote van D. J. Maandag, 33 jaar.
Maandag, Derk Jan, l jaar.
Adama, Frederika, echtgenote van W.P. Broeder, 62 jaar.
Broeder, Willem Pieper, echtgenoot van F. Adama, 67 jaar.
(Vorengenoemde 4 personen zijn allen op 21 maart 1945 gedood door een in de Dorpsstraat te Laag-Keppel neerstortend geallieerd vliegtuig.)
Bij een explosie te Hoog-Keppel werden de volgende leden van de N.B.S. gedood, vermoedelijk door een landmijn bij het gemeentehuis (2 mei 1945): Jan Schellingerhout, 24 jaar; Evert Herman Jolink, 34 jaar; Hendrik Jan Heutink (overleden te Doesburg op 4 mei 1945) en Johannes Maria Lukassen, 21 jaar, eveneens te Doesburg overleden.
Johannes Simon Oorbeek, 20 jaar, werd op 14 februari 1945 bij beschieting van het Jeugdkamp 'de Tol' te Hummelo gedood.
Op 3 april overleed alhier in het Canadese hospitaal: Hendrikus Rensen, afkomstig uit Dieren, oud 36 jaar, die zwaar gewond werd door een granaatscherf.
In Duitsland overleed op 7 februari 1945: Hendrik Jan Willem Spijker, oud 23 jaar, arbeider. Hij was aldaar woonachtig te Herne. Ook Gerrit Jan Milius overleed zeer waarschijnlijk in Duitsland. Hij was gehuwd en 27 jaar oud.
Abraham Eeltink en zijn zusje (resp. oud 13 en 15 jaar), afkomstig uit Rheden, werden op 25 maart 1945 bij bombardement van het kasteel Enghuizen gedood. Tevens werden gedood Johanna Alberta Maandag uit Arnhem (evacué te Hummelo), 15 jaar.
Frederik Jacobus Leverman, wonende te Drempt, gehuwd, geb. 30 november 1918 te Goes, overleden te Doetinchem op 6 december 1945. Was slachtoffer van het bombardement van Doetinchem.
Te Nijmegen is op 16 mei 1945 overleden: Antonius Theodorus Bergevoet, afkomstig uit Drempt, oud 17 jaar (slachtoffer bombardement).
Te Gorssel is op 4 april 1945 overleden: Antonius Wilhelmus Snelder, eveneens afkomstig uit Drempt, oud 24 jaar. (Was in gedwongen dienst van de O.T.). Uit Rotterdam kwam hier om het leven: Hendrik Willem Wasseveld, geboren 21 februari 1928, teruggekeerd uit Twente, te Drempt waarschijnlijk op een mijn gelopen.

Oorlogsschade te Hummelo en Keppel

Totaal verwoest: 4 woonplaatsen, l bedrijf en 8 boerderijen.
Zwaar  beschadigd:  5  woonplaatsen,  4  bedrijven, l kerk en 2 boerderijen.
Licht  beschadigd:  31   woonplaatsen, 16 bedrijven, 3 kerken, 4 scholen en 36 boerderijen
 


 

Dit artikel is geschreven door H.J. van Holten en gepubliceerd in ‘Er op of er onder' (Misset, 1946) en 'Overleven in de 2e Wereldoorlog in Angerlo, Doesburg, Hummelo en Keppel’ (uitgave van Stad en Ambt Doesborgh, 1995).